Home / Leer cricket Nieuw in cricket?

Cricket, uitgelegd in gewone taal

Geen jargon dat je niet kunt volgen, geen voorkennis nodig. In enkele minuten begrijp je het hele spel — genoeg om ervan te genieten als kijker, én om je eerste sessie binnen te stappen terwijl je weet wat er gebeurt.

Een lokale voetnoot

Cricket heeft misschien Vlaamse wortels

Eén geloofwaardige theorie herleidt het woord "cricket" tot het Middelnederlands — met de (krik ket)sen — en wijst naar Vlaamse wevers die zich in de middeleeuwen in Zuidoost-Engeland vestigden als mogelijke dragers van een vroeg bat-en-balspel. Het is een theorie, geen vaststaand feit, en historici discussiëren er nog over. Maar het is een mooie gedachte: dat een sport die vandaag door honderden miljoenen wordt gespeeld, misschien een draad terug heeft naar deze hoek van Europa.

Een rode cricketbal in het gras

Het spel in het kort

Cricket is een bat-en-balspel tussen twee teams van elf. Eén team bat en probeert runs te scoren; het andere team fieldt en probeert dat te verhinderen en de batters uit te krijgen. Na een afgesproken hoeveelheid spel wisselen de teams. Wie de meeste runs scoort, wint.

In het midden ligt een strook van 22 yards (20,12 m): de pitch, met aan elk uiteinde drie houten paaltjes (de wicket). Een bowler loopt aan en bowlt de bal richting de stumps. Een batter staat ervoor en probeert de bal weg te slaan en te scoren.

  • Run — de basiseenheid van het scoren. Batters lopen tussen de twee wickets heen en weer; elke keer dat beiden de overkant halen, is dat één run.
  • Over — zes geldige ballen na elkaar, waarna een andere bowler van de andere kant bowlt.
  • Innings — de volledige slagbeurt van één team.

Het veld & de pitch

Cricket is ongewoon onder de grote sporten: het speelveld heeft geen vaste maat of vorm. Wat wél exact is opgemeten, is de strook in het midden — de pitch — en de lijnen eromheen. Dit zijn de cijfers die ertoe doen (imperiaal eerst, metrisch tussen haakjes).

De pitch — 22 yards (20,12 m) lang, 10 voet (3,05 m) breed.
De stumps — 28 inch (71 cm) hoog; 9 inch (22,9 cm) breed over alle drie.
Popping crease (slaglijn) — 4 voet (1,22 m) vóór de stumps.
De 30-yard cirkel — 30 yards (27,4 m) uit het midden; markeert veldbeperkingen.
De boundary — bij seniorencricket 65–90 yards (59–82 m) van het midden.
Het hele veld — een ovaal van ruwweg 137–150 m breed.

Hoe groot is een cricketveld? Omdat het een ovaal is, heeft een veld geen vaste lengte of breedte — maar een volwaardig veld meet ruwweg 140 meter van kant tot kant (ongeveer anderhalf voetbalveld achter elkaar), met de boundary op 59–82 m van het midden. Kleinere velden zijn op clubniveau heel gewoon. De pitch in het midden is daarentegen overal identiek: 22 yards (20,12 m) lang.

Scoren

  • Lopen — batters lopen fysiek tussen de stumps; één lengte is één run.
  • Four — sla de bal over de grond tot voorbij de boundary voor vier runs.
  • Six — sla de bal zonder stuit over de boundary voor zes runs.
  • Extras — runs voor bowlingfouten zoals een wide of no-ball; de batter hoeft die niet te raken.

Uit gaan (dismissals)

  • Bowled — de bal raakt de stumps en de bails vallen eraf.
  • Caught — een fielder vangt de bal na de slag, vóór die stuit.
  • LBW — de bal zou de stumps geraakt hebben, maar het been van de batter zat ertussen. (De beslissing die de meeste discussies oplevert.)
  • Run out — een fielder breekt de stumps met de bal terwijl een lopende batter zijn run nog niet voltooid heeft.
  • Stumped — de wicketkeeper breekt de stumps terwijl de batter buiten zijn veilige zone staat.

Zeldzamere manieren om uit te gaan

Die vijf dekken bijna elke dismissal die je zult zien. Voor de volledigheid: de spelregels tellen in totaal tien manieren om uit te gaan — de rest is ongewoon, maar echt:

  • Hit wicket — de batter raakt zijn eigen stumps met bat of lichaam tijdens de slag of bij het vertrekken voor een run.
  • Timed out — een nieuwe batter die niet op tijd klaarstaat na het vorige wicket (3 minuten volgens de regels; 2 minuten internationaal). Simpel gezegd: kom te laat opdagen voor je beurt en je kunt uit zijn zonder één bal te zien.
  • Hit the ball twice — de bal bewust een tweede keer slaan, behalve om je wicket te beschermen.
  • Obstructing the field — bewust een fielder hinderen, of de bal aanraken zonder toestemming van het veldende team.
  • Retired out — een batter die zonder toestemming van de umpire het veld verlaat en niet terugkeert.

Als tien van de elf batters uit zijn, eindigt de innings — je hebt altijd twee batters op het veld nodig, dus de laatste heeft geen partner meer.

Umpires & officials

Elke wedstrijd wordt geleid door neutrale officials. Weten wie wat doet — en welke signalen ze gebruiken — maakt het spel vanaf de zijlijn veel makkelijker te volgen.

  • Twee veldumpires. Eén staat achter de stumps aan de kant van de bowler; de andere zijdelings van de batter, op square leg. Ze wisselen na elke over van kant.
  • Umpire aan bowlerskant — neemt de meeste beslissingen: LBW, wides, no-balls, en telt de zes ballen van de over.
  • Square-leg umpire — heeft het zijaanzicht voor stumpings, run-outs aan de slagkant en kort of gevaarlijk spel.
  • Derde (tv-)umpire — bekijkt twijfelgevallen op beelden: run-outs, stumpings, vangballen, boundaries en spelersreviews (DRS).
  • Matchreferee — waakt over gedrag en de Spirit of Cricket, maar neemt geen veldbeslissingen.
  • Scorers — twee officials noteren elke run, elk wicket en elke extra, en bevestigen elk umpiresignaal.

De signalen die je zult zien

  • Out — een opgestoken wijsvinger boven het hoofd.
  • Four — een arm die heen en weer zwaait voor de borst.
  • Six — beide armen recht omhoog.
  • Wide — beide armen horizontaal gestrekt.
  • No-ball — één arm horizontaal gestrekt.
  • Bye — een open handpalm boven het hoofd.
  • Leg bye — een hand die een opgeheven knie aanraakt.
  • Dead ball — polsen die onder de gordel kruisen en weer openen.

Veldposities — de kaart van de kenner

Een kapitein heeft negen fielders om vrij op te stellen (de andere twee spelers zijn de bowler en de wicketkeeper). Elke positie wordt benoemd op twee dingen: aan welke kant van de pitch ze ligt, en hoe ver van de batter. Leer deze kaart en je volgt het spel als een insider. De positienamen blijven — zoals al het cricketvocabulaire — in het Engels.

Het veld valt uiteen in twee helften. De off side is de kant waar de batter naartoe kijkt; de leg side (of on side) ligt achter zijn benen. "Square" betekent op gelijke hoogte met de batter; posities liggen dan "voor" of "achter" square. Het schema hieronder is opgesteld voor een rechtshandige batter — voor een linkshander wisselen off en leg gewoon van kant.

OFF SIDE LEG SIDE Bowler Striker Keeper Slips Gully Third man Fine leg Point Cover Mid-off Mid-on Mid-wicket Square leg Short leg Long-off Long-on ≈ 140 m across · a full ground has no fixed size

Een representatief veld voor een rechtshandige batter · off side rechts, leg side links

Achter het wicket

  • Wicket-keeper — met handschoenen, recht achter de stumps; betrokken bij elke bal.
  • Slips (1st, 2nd, 3rd…) — naast de keeper aan de off side, wachtend op randjes van het bat.
  • Gully — breder en meer square dan de slips.
  • Leg slip / leg gully — de spiegelbeelden van slips en gully aan de leg side.
  • Third man — diep achterin aan de off side, redt randjes richting de boundary.
  • Fine leg / long leg — diep achterin aan de leg side.

De off side, vóór de batter

  • Point — square aan de off side.
  • Cover & extra cover — tussen point en mid-off.
  • Mid-off — vrij recht, dicht bij de bowler aan de off side.
  • Silly point / short cover — heel dichte vangposities vlak voor het bat.
  • Deep cover, deep point, long-off — dezelfde lijnen, maar op de boundary.

De leg (on) side, vóór de batter

  • Square leg — square aan de leg side.
  • Mid-wicket — tussen square leg en mid-on.
  • Mid-on — vrij recht, dicht bij de bowler aan de leg side.
  • Short leg / silly mid-on — heel dichte "bat-pad"-vangers.
  • Deep square leg, deep mid-wicket, long-on — dezelfde lijnen, op de boundary.

Recht het veld af

  • Long-on & long-off — recht, bij de boundary aan weerszijden van de bowlerskant.
Hoe kapiteins denken

Dichte vangposities — slips, gully, short leg, silly point — zijn aanvallende fielders, opgesteld wanneer een wicket in de lucht hangt. Diepe fielders — third man, long-on, deep mid-wicket — zijn verdedigend: zij bewaken de boundary om runs te sparen. Een goede kapitein herschikt het veld bijna elke over, afgestemd op de bowler, de batter en de stand van het spel. Dat voortdurende schaakspel is een groot deel van de diepgang van cricket.

Formats — hetzelfde spel, drie lengtes

Een van de eigenaardigheden van cricket: dezelfde sport wordt over totaal verschillende lengtes gespeeld — van een sprint van drie uur tot een epos van vijf dagen. De regels zijn in wezen gelijk; wat verandert, is het aantal overs, het aantal innings en de tactiek. Dit zijn de drie waar je het vaakst over hoort.

TestDe traditionele vorm One-DayODI / 50 overs T20Twenty20
DuurTot 5 dagenEén dag (~7–8 uur)Ongeveer 3 uur
Overs per team≈ 90 overs per dag50 overs20 overs
Innings per teamTweeEénEén
Bal & kledijRode bal, witte kledijWitte bal, gekleurde kledijWitte bal, gekleurde kledij
Het gevoelStrategie en uithoudingEen evenwichtig duelSnel en explosief
Goed om te wetenHet traditionele hoogtepunt van de sportDe klassieke eendaagse; het WK-formatHet olympische format — Los Angeles 2028

Er bestaan ook kortere formats (T10, en competities zoals The Hundred), maar Test, One-Day en T20 zijn de drie pijlers van het spel. Voor een nieuwkomer is T20 de vriendelijkste instap — snel, luid en klaar op één avond.

Dieper graven?

Alles op deze pagina is de korte versie. De officiële spelregels — de Laws of Cricket, met de Spirit of Cricket-preambule — worden bijgehouden door de MCC in Lord's. Lees de volledige Laws op lords.org.

Woordenlijst

Pitch — de strook van 22 yards (20,12 m) in het midden.
Wicket — de drie stumps; ook: een batter die uit gaat.
Bowler — werpt de bal aan (met gestrekte arm).
Batter — probeert de bal te slaan en te scoren.
Over — zes geldige ballen na elkaar.
Innings — de slagbeurt van een team.
Boundary — de rand van het veld; ook de four of six die daar gescoord wordt.
All-rounder — goed in batten én bowlen.
Wicket-keeper — de fielder met handschoenen achter de stumps.
Maiden over — een over zonder gescoorde runs.
Duck — een batter die uit gaat op nul.
No-ball / wide — foutieve of te brede ballen die extra runs opleveren.
Umpire — de official die op het veld beslist.
Timed out — uit omdat je niet op tijd klaarstond om te batten.
Klaar?

Test het nu — maak kennis met Gully

Onze cricketquiz in vier niveaus, 50 vragen in totaal. Gully leert je bij terwijl je speelt: ook bij een fout antwoord steek je iets op. Haal het Expert-niveau en verdien je badge.

10 vragen
Foundations
13 vragen
Core
12 vragen
Advanced
15 vragen
Expert
Begin met FoundationsBinnenkort
Het spel kennen is mooi. Het spelen is beter.

Kom het gewoon proberen

Boek je drie gratis sessies